Engbertsdijksvenen

Eigenaar : Staatsbosbeheer
Oppervlakte : 922 ha
Ligging : Ligt in gemeente Twenterand ten zuiden van Kloosterhaar en Sibculo en is te vinden op de topografische kaarten 22G en 28E
Toegankelijkheid : Centrale delen zijn gesloten voor publiek.
In het Noorden en Zuiden liggen wandelroutes: blauw (4,2 km), geel (4,4 km) en rood (4,6 km).
Meer info : Vogelbescherming
WikipediA

Johan Poffers, Copyright2002

De Engbertsdijksvenen is een vergraven hoogveenreservaat, plaatselijk is het veenpakket nauwelijks vergraven en nog zo'n 5 m dik, maar op de meeste plaatsen is het veen echter machinaal vergraven. De belangrijkste biotopen zijn plassen, hoogveenmoeras bestaande uit veenmos-, veenpluis- en pijpestrovegetaties, heidegebieden (vooral Struikheide maar ook Dopheide en Kraaiheide komen veel voor), berkenstruweel en berkenbos.
De Engbertsdijksvenen mag het beste vogelgebied van Twente worden genoemd. Alle perioden van het jaar heeft het gebied wat te bieden, alhoewel het aantal overwinteraars klein is.
De beste perioden zijn van eind maart tot half mei en van half juli tot half oktober waarin trekvogels passeren of pleisteren. De beste observatiepunten in de trektijden zijn in het voorjaar de omgeving van de observatiehut aan de Grote plas in het noorden (bereikbaar via SBB-boerderij Het Huisken) en in het najaar de Nieuwe leidijk in het zuiden.
Deze dijk kan worden bereikt vanaf de Paterswal via de brug van Katerjens.

Kenmerkende broedvogels van plassen en hoogveenmoeras zijn: Geoorde fuut,Dodaars, Winter- en Zomertaling, Krakeend, Slobeend, Porseleinhoen, Waterral, Kokmeeuw, Blauwborst, Sprinkhaanzanger en Grauwe klauwier (in 2002 2 paar). Karakteristieke broedvogels van heidevegetaties zijn: Kwartel, Koekoek, Veldleeuwerik, Graspieper en Roodbosttapuit.
In het reservaat is een enorme verzameling zeldzaamheden gezien; trekvogels waarnaar vogelaars meerdere keren met succes hebben uitgekeken zijn: Zwarte ooievaar, Grote zilverreiger, Grauwe kiekendief, Roodpootvalk, Slechtvalk, Visarend, Rode en Zwarte wouw, Kraanvogel, alle strandlopersoorten, Dwergmeeuw, Witvleugel- en Witwangstern, Roodkeelpieper, Befllijster, Baardman, Buidelmees, IJsgors en Sneeuwgors.
Soorten waardoor het gebied een belangrijke wetland-status heeft verkregen zijn de Kraanvogel (pleistert in sommige jaren in periode eind oktober tot half december, behoort hierdoor landelijk tot de belangrijkste pleisterplaatsen), de Toendrarietgans (vooral halverwege jaren '80 van vorige eeuw, tot 1.700 ex) en de Taigarietgans (vooral vanaf jaren '90 van vorige eeuw, tot 2.500 ex).

Op de hoogveenkern (ligt net ten westen van de observatiehut) slapen in de periode oktober - april zo'n 20 - 30 Blauwe kiekendieven.
Tijdens het aanvliegen vlak voor zonsondergang kunnen tussen de kiekendieven soms enkele Smellekens worden waargenomen. Een vaste overwinteraar is de Klapekster waarvan er maximaal 5 tegelijk in het gebied kunnen verblijven.

Wolter van Dijk, Copyright 2002 Harry de Jong, Copyright 2012 Johan Poffers, Copyright 2002